Het leven van Johanna Koerni (59) is op zijn minst roerig te noemen. Haar wieg stond in Manokwari, in toenmalig Nederlands Nieuw-Guinea. Als vijfjarig meisje maakt ze mee dat haar vader wordt opgepakt omdat hij op een zwarte lijst staat. Het gezin raakt erdoor in armoede. Als jonge vrouw krijgt ze een relatie met kunstenaar Demmi Koerni. Vanwege zijn inzet voor het bestaansrecht van de Papoea-cultuur, is het voor Johanna en Demmi niet veilig om in Papua te blijven.
Het stel vlucht naar de oostelijke helft van het eiland, Papua Nieuw Guinea, en verblijft er maar liefst tien jaar lang in vluchtelingenkampen. De omstandigheden zijn erbarmelijk; eten is schaars en de vluchtelingen worden gediscrimineerd door de lokale bevolking. Na herhaaldelijk schrijven aan de overheid komt dan eindelijk het verlossende woord: gezin Koerni mag naar Nederland komen.
